Wachtlijsten in de GGZ nemen toe, net als werkloosheid door burn-out en het percentage van volwassenen dat leidt onder gevoelens van overspannenheid en depressiviteit. Er wordt vaak gespeculeerd over de culturele en economische oorzaken van de toename in mentale gezondheidsproblematiek, zo ook in het boek The Burnout Society van Byung-Chul Han, maar welke economische nadelen brengt deze ‘burnout society’ met zich mee? Hoe beïnvloed mentale gezondheid de economie?Er zijn meerdere relevante kanalen via welke mentale gezondheid de algemene economie ofwel de individuele economische prestaties van werkenden kan beïnvloeden. Hierbij denkt men al gauw aan werkloosheid door burn-out en dergelijke, maar overmatige stress beïnvloedt op lange termijn ook de gezondheid en de arbeidsproductiviteit van werkenden. Stressoren kunnen bijvoorbeeld prestatiedruk, discriminatie of problemen in de persoonlijke sfeer zijn. Een ander mechanisme via welke de mentale gezondheid van individuen de economie kan beïnvloeden, is verklaarbaar vanuit de zogenoemde ‘scarcity theory’. Mensen zullen als ze weinig mentale ruimte hebben suboptimale keuzes maken en slechter functioneren, waardoor bestaande economische ongelijkheid kan verergeren. In lijn hiermee zou de arbeidsproductiviteit van werkenden die met overmatige stress kampen dus ook significant verslechteren. Daarnaast is de belangrijkste ‘moderator’ van het effect van stress op economische uitkomsten ‘coping’. Mensen die gezond omgaan met stress zullen minder snel ziek worden en zouden vermoedelijk ook kleinere effecten op hun arbeidsproductiviteit ervaren. Gezondheidszorg als kostenpost of als reddende engel?De gezondheidszorg als geheel is de belangrijkste en grootste kostenpost op de rijksbegroting, en is dus zowel hoofdpijndossier vanwege de groei ervan, als melkkoe in tijden van bezuinigingen. Met name gezondheidszorg voor broze ouderen staat vaak centraal in controverses over bezuinigingen, maar ook de jeugdzorg en de veelvuldige gang naar de psycholoog van al die ‘millennial snowflakes’ worden veel besproken. Vakblad ESB concludeerde zo dat de groei in vraag naar jeugdzorg substantieel is en toeneemt, wat tot een kostenescalatie zou kunnen leiden. De jeugdzorg zou in 2024 8,1 miljard hebben gekost, met zowel toenemende wachtlijsten als vraag naar personeel en budget. Traditionele GGZ kost het rijk zo’n 5,5 miljard, en hoewel de kosten hier beperkt lijken te groeien, is er veel te doen om de wachtlijsten, die maar niet lijken te slinken. Onderzoeken wijzen uit dat de arbeidsproductiviteit van werkenden met ernstige psychische klachten zoals klinische depressiviteit, borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS of BPD), en schizofrenie, stevig afneemt. In veel gevallen worden de klachten verminderd maar niet volkomen verholpen, en zullen ze daarmee beter kunnen functioneren op de werkvloer. Hierbij is het effect veelal inbegrepen van niet-werkenden die weer zullen kunnen werken door de vermindering van klachten. Echter worden er grote vraagtekens gesteld bij de gegeneraliseerde suggestie dat psychotherapie helpt, aangezien wetenschappelijk onderzoek hiernaar vaak sterke biases vertoont en zelfreportage van klinische niet-waarneembare klachten lastig aantoonbaar is. Bovendien is het onduidelijk of de allocatie van psychotherapie efficiënt is, aangezien ‘complexe’ casus slechter te verhelpen zijn en daarmee minder prikkel bieden voor behandelaars om deze te behandelen. Zo kan het gebeuren dat enkel minder complexe casus behandeld worden, waardoor het effect op de arbeidsproductiviteit zeer beperkt zou kunnen zijn. De kosten zouden wél aanzienlijk op kunnen lopen als enkel simpele casus worden behandeld, terwijl deze casus niet noodlijdend of noodzakelijk zorgbehoevend zijn. Zo zouden er meerdere nadelen aan de huidige afweging kunnen kleven. Ten eerste zouden werkelijk zorgbehoevende casus, waarbij behandeling tot toenames in de arbeidsproductiviteit zou kunnen leiden, niet worden of onvoldoende worden behandeld. Bovendien worden kosten gemaakt voor behandelingen die niet tot grote of voldoende toenames in arbeidsproductiviteit leiden. Als laatste zouden klachten bij zorgbehoevende patiënten toe kunnen nemen, waardoor de toekomstige kosten verder stijgen. Schade voor arbeidsproductiviteit: onduidelijk of beperkt?De schade van mentale gezondheidsproblematiek op de arbeidsproductiviteit is in veel gevallen twijfelachtig. Het is niet duidelijk of lichte psychische problemen werkelijk tot een daling in de arbeidsproductiviteit leiden. In deze gevallen zou behandeling ook tot een beperkte of geheel afwezige toename van de arbeidsproductiviteit leiden. Deze lichte casus zouden bovendien betrekkelijk weinig risico lopen op uitval naar aanleiding van hun psychische problemen. Zwaardere casus zouden meer risico lopen op burn-out of andersoortige uitval die leidt tot een periode waarin de werkende zich in de ziektewet gaat begeven. Echter is voor zowel buitenstaanders als de werknemer zelf vaak onduidelijk hoe zwaar de problematiek werkelijk is. Bovendien zou de status van lichte naar zware klachten kunnen gaan door allerlei omstandigheden, meestal liggen oorzaken hiervoor in de privésfeer. Burn-out komt in Nederland veel voor onder met name jongere vrouwen. Volgens het RIVM heeft 20% van de Nederlandse werknemers last van burn-outklachten, terwijl dit onder zelfstandige ondernemers beperkt is tot 12%. Hoewel internationaal wetenschappelijk onderzoek erop wijst dat de oorzaken van burn-out meestal in de privésfeer ligt, zouden deze cijfers erop kunnen wijzen dat overwerktheid en de rigiditeit van werktijden en werkomstandigheden bijdragen aan burn-outklachten. De man-vrouwverhouding wordt bovendien veel gelijker als we enkel kijken naar ondernemers. De discrepantie tussen de genders zou dus voornamelijk aan de zijde van werknemers liggen. Echter zou het ook kunnen dat ondernemers evenveel klachten ervaren maar deze besluiten te negeren door een zwakker vangnet, ze kunnen namelijk veelal geen beroep doen op volksverzekeringen of de bijstandsuitkering. Economische ongelijkheid als drijfveer achter de burnout society?Wetenschappelijk onderzoek wijst erop dat armoede in de jonge jaren kan leiden tot psychische problemen, zowel op jonge leeftijd als later in het leven. De financiële stress en structurele problemen in de privésfeer bij gezinnen met lage inkomens kan leiden tot jeugdtrauma’s, zoals verwaarlozing. Hoewel vaak het beeld geschetst wordt van het deeltijdprinsesje met een burnout, lijkt het er dus op dat het juist mensen die uit armoede komen zijn die vaker lijden aan mentale gezondheidsproblemen. Het zou echter wel kunnen dat de inefficiënte allocatie van geestelijke gezondheidszorg, die in eerdere alinea’s is omschreven, eveneens leidt tot een tekort aan zorg voor mensen met lagere inkomsten en een overschot aan zorg voor de rijkeren. Onderzoeken wijzen erop dat deze inefficiënte allocatie van zorg mede veroorzaakt wordt en in stand gehouden wordt door een gebrek aan alternatieven in de private sector voor en zorgmijding door mensen met lagere inkomsten. De
Changing Motivations Behind M&A in the Financial Sector: From Crisis Survival to Strategic Transformation
The landscape of mergers and acquisitions (M&A) within the global financial services sector is currently undergoing a definitive shift in momentum. After a record-breaking 2024, the first half of 2025 has demonstrated continued strength, signaling a clear move away from the defensive consolidation that characterized the years following the 2008 Global Financial Crisis (GFC). Today, the industry is witnessing a surge in offensive, strategic expansion driven by a need for digital evolution and operational scale. Gazi Kabaş, Professor of M&A at Tilburg University, observes that while the post-2008 wave was fundamentally about survival and regulatory compliance, the current wave is motivated by a proactive search for growth and technological superiority. According to recent data from EY, deal volume in the first half of 2025 reached 1,125 transactions in the financial sector alone. More strikingly, while volumes rose by a steady 2%, the total deal value surged by 17% to $160.8 billion. This disparity highlights the return of the “megadeal”; in 2025, a mere 35 transactions valued over $1 billion accounted for 83% of the total market value. This trend indicates a clear market preference for large-scale, transformative moves over minor, incremental “bolt-on” acquisitions. The Legacy of the Global Financial Crisis: Defensive Survival To understand the current environment, one must look back at the motivations that governed the sector after 2008. Following the GFC, financial institutions operated under severe economic stress and a heavy cloak of new regulations. The introduction of the Basel III framework imposed stricter capital and liquidity requirements, while the Dodd-Frank Act in the United States restricted for-profit proprietary trading for banks. During this period, M&A was largely a tool for stabilization. Professor Kabaş notes that the primary drivers were stricter financial regulation and the sheer need for survival. Stronger institutions often acquired distressed or failing banks, frequently with the encouragement of regulators, to prevent systemic collapse. These deals were characterized by the absorption of troubled assets and the resolution of underperforming, risky targets. In this “defensive” era, growth was secondary to balance sheet repair and regulatory appeasement. The New Era: Strategic Growth and Economies of Scale In contrast, the motivations driving recent M&A activity are fundamentally different. Instead of reacting to crisis, many financial institutions are now pursuing acquisitions to improve their long-term competitiveness and operational efficiency. Professor Kabaş points out that in Europe, bank consolidation is increasingly associated with the search for economies of scale. These deals typically involve larger, sounder acquirers purchasing smaller, viable targets to reduce redundant costs and expand their customer base. While most of these transactions remain domestic, as institutions prioritize strengthening their positions within existing markets, there are signs of shifting dynamics. In Europe, regulatory evolutions such as the “Danish Compromise” (effective January 2025) have acted as catalysts for cross-border activity by allowing insurance participations to be risk-weighted more favorably, effectively boosting bancassurance-driven M&A. This is exemplified by major moves like BNP Paribas’ €5.5 billion acquisition of AXA Investment Managers. Despite these “green shoots,” Kabaş notes that structural fragmentation, such as divergent national supervisory practices, continues to limit the full integration of the European market. Digitalization and the “Build vs. Buy” Dilemma Perhaps the most significant driver of the current M&A wave is the role of digitalization and Fintech competition. The rapid ascent of Fintech firms in payments, lending, and wealth management has placed immense pressure on traditional banks to modernize. Professor Kabaş highlights that incumbent financial institutions are increasingly using acquisitions as a shortcut to obtain technology, data capabilities, and digital talent that would take too long to develop internally. This leads to the classic “build versus buy” dilemma. While internal R&D offers more control, the “time-to-market” for internal solutions often lags behind the pace of innovation. Kabaş explains that acquisitions allow banks to bypass the cultural inertia of traditional hierarchies and gain immediate access to validated tech stacks. Research shows that investors reward this strategy; U.S. financial institutions earn significantly higher announcement returns on Fintech-targeted deals than on traditional bank mergers. However, the decision to acquire is often determined by an institution’s existing capabilities. Professor Kabaş cites research showing that banks with lower internal IT expenditure are more likely to acquire Fintech firms, whereas banks with high IT spending often prefer internal development. Furthermore, successful digital transformation via M&A is not guaranteed. While buying a firm provides ready-made technology, Kabaş warns that integration challenges and cultural mismatches often lead to value destruction in the long run. The Impact of Macroeconomic Conditions Improved macroeconomic conditions have played a vital role in enabling this strategic shift, though they are not its sole cause. The absence of a long-expected recession and stable employment levels have fortified investor confidence. Moreover, monetary easing by central banks has lowered the cost of capital, making it easier to finance large transactions. Financial firms have entered this period with exceptionally strong balance sheets, holding an estimated $7.5 trillion in cash reserves globally. Professor Kabaş argues that these healthy capital and liquidity positions are essential, as acquisitions require the financial “slack” to absorb integration costs and risk. While these macro factors provide the resources and confidence to move away from survival-oriented deals, Kabaş maintains that the fundamental drivers remain structural: digital competition, the need for efficiency gains, and persistent profitability pressures. The Rising Influence of Private Capital Adding another layer of complexity to the current wave is the dominance of private equity and private credit. Private capital is projected to reach $22 trillion by 2025 as it fills the lending voids left by heavily regulated traditional banks. Private equity firms have evolved from simple financial engineers into active operators, employing “buy-and-build” strategies to scale companies in fragmented sectors like wealth management. Simultaneously, Private Credit has surged into a $1.5+ trillion force, offering a speed and certainty in funding that traditional banks struggle to match. Conclusion: A New Center of Gravity The current wave of M&A in the financial sector represents a fundamental departure from the post-2008 era. As Professor Gazi Kabaş concludes, the “center of gravity” has
De weg naar Zuid-Korea: StudyTour 2026
Het organiseren van een internationale reis neemt veel tijd in beslag. De commissie voor de StudyTour 2026 is daarom al een tijdje bezig met het plannen en uitwerken van deze reis. De eerste meetings hebben al plaatsgevonden in september en sindsdien vinden er vrijwel wekelijks meetings plaats. Met behulp van twee coördinatoren en vijf actieve commissieleden wordt alles tot in de puntjes verzorgd. Hoewel iedereen in principe zijn eigen functie toegewezen heeft gekregen, is het succes van de reis een gezamenlijke verantwoordelijkheid. De commissie voor de StudyTour 2026 bestaat uit: ● Raquel van Kuringe (Chairman) ● Femke Bruers (Secretary) ● Jan Rotink (Treasurer) ● Kimberly Treffers (External Affairs) ● Noah Delsalle (External Affairs) ● Luuk Brouwer & Wouter Janssen (Coördinators) Het kiezen van een bestemming De organisatie van de reis begon bij het uitzoeken van een bestemming. Het kiezen van een bestemming die uniek en onderscheidend is, is nog niet zo makkelijk, aangezien er voorafgaande jaren al veel locaties zijn bezocht. Na wat wikken en wegen hebben we ervoor gekozen om dit jaar naar Zuid-Korea te gaan. Een land dat onder andere bekend is vanwege zijn hypermoderne steden, wereldwijde popcultuur en veelzijdige cultuur en geschiedenis. De eerste dagen zullen we verblijven in Seoel, daarna zullen we naar de andere kant van Zuid-Korea reizen, om voor een paar dagen de prachtige havenstad Busan op te zoeken. Als afsluiting overnachten we de laatste nacht in Incheon. Waar de reis naartoe zou gaan, is voor langere tijd geheim gebleven. Tijdens de Sinterklaas Drink werd de locatie dan eindelijk bekendgemaakt. De bekendmaking werd gedaan door middel van een video die met veel enthousiasme in elkaar was gezet. De video was volledig in thema van de avond en vormde een nieuwe, creatieve variant van het Sinterklaasjournaal. De promotie had zijn vruchten afgeworpen, want al snel waren alle plekken gevuld. Raquel – Chairman: “Het kiezen van de locatie is altijd echt heel leuk, omdat je als commissie direct invloed hebt op waar je naartoe gaat en zo eventuele plekken die nog op jouw lijstje staan kan afstrepen. Samen met de commissie maak je een lijst van mogelijke locaties en dan ga je samen kijken naar de voor- en nadelen van elke locatie en beslis je samen waar je naartoe gaat.” Wat doen we precies? Naast het kiezen van een bestemming en het promoten van de reis, zijn er nog een heleboel andere dingen die we moeten regelen als commissie. Zo moesten er vliegtickets worden geregeld en moesten de accommodaties worden vastgelegd. Bovendien zijn we bezig geweest met een onderzoeksproject voor Studium Generale en konden we ons langzamerhand ook bezig gaan houden met het zoeken van leuke formele en informele activiteiten. Ondertussen zijn we ook bezig met het samenstellen van een deelnemersboekje. Door het werk dat je binnen de commissie uitvoert, ontwikkel je veel vaardigheden. Zo leer je internationale contacten te leggen. Daarnaast leer je te werken met een budget en word je kritischer in het maken van keuzes. Ook leer je beter organiseren en plannen. Jan – Treasurer: “Als treasurer houd ik mij binnen de commissie bezig met het financiële aspect van de StudyTour. We werken met een scherp budget, wat betekent dat niet alles vanzelfsprekend mogelijk is. Samen met de commissie kijk ik daarom continu naar hoe we onze middelen het beste kunnen inzetten. Bij iedere beslissing speelt het budget een rol en lopen de meningen soms uiteen, waarna we gezamenlijk afwegen wat uiteindelijk het beste is voor de reis als geheel. Dat betekent soms keuzes maken en accepteren dat niet alles kan. Door dit proces blijven we realistisch en zorgen we er samen voor dat de reis voor iedereen betaalbaar blijft, zonder afbreuk te doen aan de inhoud.” Studium Generale We zijn dus bezig geweest met een onderzoeksproject voor Studium Generale en onze onderzoeksvraag luidt als volgt: “What economic challenges does the aging South Korean population pose for the national pension system?” In Zuid-Korea is sprake van een bijzondere demografische situatie. Het aandeel ouderen in de bevolking stijgt aanzienlijk en het land heeft te kampen met een zeer laag vruchtbaarheidscijfer. Hierdoor staat het nationale pensioenstelsel (NPS) van dit land onder grote druk. Dit fenomeen is niet alleen bekend in Zuid-Korea, maar ook Nederland en andere Europese landen hebben te maken met een vergelijkbare situatie. Echter, de situatie is niet zo extreem als in Zuid-Korea. Zuid-Korea heeft namelijk te maken met een veel lager vruchtbaarheidscijfer en een snellere vergrijzing. De onderzoeksvraag richt zich expliciet op Zuid-Korea, maar de mogelijkheid om dit te vergelijken met Europese ontwikkelingen vormde de aanleiding voor onze interesse en motivatie. Femke – Secretary: “Het onderzoeksproject voor Studium Generale is vrij groot. Wat ik hier zo leuk en interessant aan vind, is dat ik me echt heb kunnen verdiepen in een specifiek onderwerp binnen Zuid-Korea. Door dit onderwerp te onderzoeken, heb ik mijn kennis over het land kunnen uitbreiden, waardoor mijn beeld van Zuid-Korea veel completer is geworden. Daarnaast heb ik mijn vaardigheden verder kunnen ontwikkelen. Zo heb ik onder andere meegeholpen met het uitwerken van de deelvragen. Door de feedback die ik tussentijds hierop kreeg, heb ik geleerd om informatie beter te filteren en kritischer te kijken naar mijn formulering. Daarnaast heb ik mij beziggehouden met het reisprogramma, waarbij ik heb geleerd om efficiënter met tijd om te gaan.” Afsluiting Als commissie zetten we voor de komende weken nog de laatste puntjes op de i. We zijn ervan overtuigd dat dit een hele mooie reis gaat worden en dat we na deze reis een waardevolle ervaring rijker zullen zijn. We kijken er enorm naar uit en hebben er mega veel zin in.
De opkomst van Buy Now, Pay Later-diensten
Het gebruik van Buy Now, Pay Later-diensten (BNPL) is de laatste jaren sterk in populariteit toegenomen. Deze betaalmethode maakt het mogelijk om een product direct te kopen en de betaling later of in meerdere termijnen te voldoen. Vooral bij online aankopen wordt deze betaaloptie steeds vaker aangeboden en de sector groeit razendsnel. De populariteit van BNPL is de afgelopen jaren snel gegroeid, vooral bij mensen onder 35. In 2025 werd de waarde van de BNPL-markt in Nederland geschat op ongeveer 5,1 miljard euro. De groei wordt onder andere gedreven door de sterke ontwikkeling van e-commerce en de toenemende vraag naar flexibele betaalmethoden die aansluiten bij het digitale koopgedrag van consumenten. Hoe werkt Buy Now, Pay Later? Bij Buy Now, Pay Later hoeft de consument op het moment van aankoop niet direct het volledige bedrag te betalen. Het BNPL-bedrijf betaalt het aankoopbedrag eerst rechtstreeks aan de retailer. Vervolgens lost de consument het verschuldigde bedrag af bij het BNPL-bedrijf, doorgaans in meerdere kleinere termijnen. Betalingen worden vaak gespreid over enkele weken of maanden. In veel gevallen wordt er geen rente gerekend zolang termijnen op tijd worden voldaan. Worden betalingen te laat gedaan dan kunnen er extra kosten of boetes in rekening worden gebracht. Het is daarom belangrijk dat consumenten de voorwaarden goed doorlezen voordat zij een BNPL-dienst gebruiken. Het aanvraagproces is eenvoudig en snel. Tijdens het afrekenen in een webshop kiest de consument direct voor een BNPL-optie. Na een korte identiteits- en kredietcontrole wordt de betaling goedgekeurd en kan de aankoop direct worden afgerond, vaak binnen enkele seconden. Grote spelers op de markt In Nederland zijn diverse BNPL-aanbieders actief. Enkele van de bekendste namen zijn Klarna, Riverty, in3 en Billink. Deze bedrijven werken samen met honderden webwinkels en retailers om consumenten achteraf of in termijnen te laten betalen. Voor webwinkels is dit aantrekkelijk omdat BNPL vaak leidt tot hogere conversiepercentages, grotere orderwaarden en minder verlaten winkelwagens. Impact op koopgedrag en financiële gezondheid BNPL heeft een merkbare invloed op het koopgedrag van consumenten. Doordat betalingen worden uitgesteld of gespreid voelen aankopen vaak minder zwaar aan op het moment van betaling. Dit kan leiden tot impulsaankopen of hogere bestedingen dan oorspronkelijk gepland. Onderzoek laat zien dat consumenten die gebruikmaken van BNPL gemiddeld grotere bestellingen plaatsen dan consumenten die direct betalen.Tegelijkertijd biedt BNPL ook voordelen. Voor consumenten die tijdelijk minder financiële ruimte hebben maar verwachten een bedrag op korte termijn te kunnen terugbetalen kan deze betaalmethode een flexibele oplossing bieden. In vergelijking met traditioneel consumentenkrediet, zoals creditcards, worden er bij veel BNPL-diensten geen rentekosten gerekend zolang betalingen op tijd worden gedaan. Toch blijft verantwoord gebruik belangrijk omdat het combineren van meerdere BNPL-aankopen tegelijkertijd kan leiden tot financiële druk. Conclusie Buy Now, Pay Later-diensten hebben zich in korte tijd ontwikkeld tot een belangrijke betaalmethode binnen de digitale economie. Door het gebruiksgemak, de snelle goedkeuring en de mogelijkheid om betalingen te spreiden zijn deze diensten voor veel consumenten aantrekkelijk geworden. De verwachting is dat de BNPL-markt de komende jaren verder zal groeien. Prognoses suggereren dat de markt tegen 2030 kan doorgroeien tot ongeveer 15 miljard euro. Tegelijkertijd zorgt toenemende regelgeving ervoor dat aanbieders meer aandacht moeten besteden aan verantwoord kredietgebruik en consumentenbescherming. Ondanks de uitdagingen rondom schuldenrisico en toezicht lijkt BNPL een blijvende rol te spelen in de toekomst van digitale betalingen. De sector bevindt zich momenteel in een fase waarin snelle groei plaatsmaakt voor verdere professionalisering en regulering. Hierdoor kan BNPL zich ontwikkelen tot een stabiel onderdeel van het moderne financiële systeem.
De Hypotheekrenteaftrek: wat is het en waarom is er zoveel discussie over?
Er zijn in de afgelopen twintig jaar talloze adviezen en onderzoeken uitgekomen naar de Nederlandse woningmarkt en het fiscaal stelsel, waarbij de hypotheekrenteaftrek, ook wel HRA genoemd, niet buitenschot bleef. Zowel binnenlandse als buitenlandse instanties, waaronder recentelijk het Centraal Planbureau (CPB), De Nederlandsche Bank (DNB) en het Internationaal Monetair Fonds (IMF), hebben geadviseerd tot de afbouw van de hypotheekrenteaftrek. Wat is de Hypotheekrenteaftrek?De hypotheekrenteaftrek is een fiscale aftrekregeling waarbij het bezit van een eerste eigen woning of een eerste eigen woning in aanbouw wordt bevoordeeld. Zo is het mogelijk een deel van de rente die wordt betaald over een hypotheek, of andersoortige lening ten behoeve van de aankoop of aanbouw van de woning, af te trekken van het belastbaar inkomen onder box 1. Het bedrag wordt vervolgens, na maandelijkse aanvraag of na de jaarlijkse belastingaangifte, terugbetaald. De maximale aftrek is op dit moment 37,56%, dat betekent dat 37,56% van de hypotheekkosten, zowel de rente als andere eenmalige financieringskosten (notaris, taxateur, etc.), afgetrokken mag worden van het belastbaar inkomen onder box 1. De Hypotheekrenteaftrek geldt ook als een soort tegenhanger van het eigenwoningforfait, waarbij een bepaald percentage van de WOZ-waarde wordt opgeteld bij het belastbaar inkomen onder box 1. Echter is er ook een interactie tussen hypotheekrenteaftrek en eigenwoningforfait, aangezien er een aftrekregeling is voor mensen met een kleine of geen eigenwoningschuld. Als de hypotheekrente aftrek kleiner is dan het eigenwoningforfait, zal het grootste deel van het eigenwoningforfait afgetrokken worden van de verhoging van het belastbaar inkomen. De meeste woningbezitters zullen te maken hebben met een eigenwoningforfait van 0,35%; als ze door hun kleine hypotheek meer lasten hebben door het eigenwoningforfait dan baten van de hypotheekrenteaftrek, kunnen ze komend jaar 71,867% van het verschil aftrekken van het eigenwoningforfait. Deze regeling wordt echter afgebouwd en bedroeg vorig jaar nog 76,667%. Van breekpunt en H-woord tot een doorn in het oogDe hypotheekrenteaftrek komt uit 1893 en is ingesteld door toenmalig minister van financiën Nicolaas Pierson, maar sinds de financiële crisis van 2008 is de wens tot de afbouw ervan toegenomen, met name vanuit de hoek van financiële instanties, die het als risico zagen voor een instabiele hypotheekmarkt. Sinds 2014 is de hypotheekrenteaftrek dan ook geleidelijk afgebouwd vanaf 52%, eerst met 0.5 procentpunt per jaar, maar vanaf 2020 versneld met 3 procentpunt per jaar. Nadat in 2023 het tarief van 36,93% was bereikt, werd besloten tot geleidelijke verhoging van de hypotheekrenteaftrek, waardoor het tarief in 2026 37,56% bedraagt. Achter de schermen is er als sinds jaar en dag een vurig politiek debat gaande. In de verkiezingen van zowel in 2007 als in 2010 formuleerden het CDA en de VVD de afbouw van de hypotheekrenteaftrek als een breekpunt voor een eventuele kabinetsformatie, en dit breekpunt werd in de verkiezingen van 2025 dan ook opnieuw van stal gehaald, ditmaal enkel door de VVD. In politiek Den Haag werd de hypotheekrenteaftrek lange tijd bestempeld als ‘het H-woord’, mede omdat voor iedereen duidelijk was dat de afbouw ervan onmogelijk bespreekbaar was. Echter bleek uit berekeningen ook dat de staatskas in 2004 €7 miljard, in 2005 €10 miljard en in 2009 maar liefst €11 miljard misliep door het bestaan de hypotheekrenteaftrek. De hypotheekrenteaftrek kostte de staatskas in 2025 moment overigens ook weer ruim €10 miljard. Met de zware bezuinigingsdoelstelling van kabinet Rutte II werd de afbouw van de hypotheekrenteaftrek dan ook gezien als een acceptabel en noodzakelijk kwaad. De hypotheekrenteaftrek is de linkse partijen nog altijd een door in het oog, ze lijken er dan ook zo snel mogelijk vanaf te willen. Het verkiezingsprogramma van GroenLinks-PvdA stelde in 2025 zelfs dat de hypotheekrenteaftrek in 8 jaar tijd, dus met ongeveer 4,7 procentpunt per jaar en daarmee meer dan ooit tevoren, afgebouwd diende te worden, wat veel heviger is dan de 30 jaar die het CDA liefst wou nemen. Volgens het nieuwe regeerakkoord zal de hypotheekrenteaftrek vooralsnog onaangetast blijven, naar wens van de VVD. Wie profiteert er eigenlijk van de hypotheekrenteaftrek?De hypotheekrenteaftrek maakt deel uit van een breed pakket aan fiscale en non-fiscale maatregelen waarmee inkomenspolitiek wordt bedreven op de woningmarkt. Zo is er naast de hypotheekrenteaftrek ook de huurtoeslag, het eerdergenoemde eigenwoningforfait en de Wet Betaalbare Huur. Deze bevoordelen allemaal specifieke groepen in de samenleving, zo profiteren mensen met een eerste eigen woning en een hypotheekschuld van de hypotheekrenteaftrek, en profiteren mensen met lagere inkomens eerder van de huurtoeslag en de Wet Betaalbare Huur. Het eigenwoningforfait is dan weer een kostenpost voor mensen met een eerste eigen woning. Met de ‘eerste’ eigen woning wordt in deze context overigens enkel bedoeld dat dit de woning die daadwerkelijk door de eigenaar wordt bewoond, niet dat het de chronologisch eerste woning is. Van de 7,2 miljoen Nederlandse huishoudens kan bijna de helft gebruik maken van de hypotheekrenteaftrek. Daarbij zijn het voornamelijk mensen met modale en hogere inkomens die een hypotheek hebben op hun eigen huis, mede omdat armere groepen vaak geen eigen huis kunnen kopen. Het zouden dus voornamelijk rijkere groepen in de samenleving zijn die profiteren van deze regeling die de staatskas ruim €10 miljard per jaar kost. Echter zijn er, zoals eerder genoemd, ook andere fiscale regelingen die juist armere groepen helpen, zo kost de huurtoeslag de staatskas jaarlijks zo’n € 5,28 miljard, terwijl hier slechts 1,59 miljoen mensen gebruik van kunnen maken. Het zou er daarmee op lijken dat juist groepen die in de vrije sector huren en daarmee vrijwel nooit recht hebben op huurtoeslag aan het kortste eind trekken. Zij hebben geen ‘koopsubsidie’ in vorm van de hypotheekrenteaftrek en ook geen huursubsidie. Daarmee lijkt er een situatie te zijn ontstaan waarin specifieke groeperingen relatief veel profijt hebben van het uitvoerige fiscale beleid op de woningmarkt. De vraag zou echter ook moeten zijn of starters in effect werkelijk profiteren van de hypotheekrenteaftrek , en huurders van de huurtoeslag, of dat dit voordeel in een woningmarkt met een vraagoverschot — of simpelweg een tekort aan huizen — maximaal wordt benut voor het verkrijgen van hogere hypotheek. De hypotheekrenteaftrek werkt namelijk lasten verlagend, en zorgt er daarmee voor dat financieringsmogelijkheden en
Carrière maken in corporate finance: praktijkinzichten van Gert-Jan Nijweide
Over Gert-Jan De academische carrière van Gert-Jan Nijweide begon na de middelbare school in Nijmegen, waar hij de bachelor Bedrijfswetenschappen, hedendaags Bedrijfseconomie, heeft gevolgd. Naderhand heeft hij zowel de Master als post-master Accountancy gevolgd aan de Universiteit van Tilburg. Tijdens de post-master is hij gestart met een functie binnen Deloitte in Enschede. Hij heeft binnen Deloitte de gehele ladder van Assistent tot en met Manager beklommen en is uiteindelijk afgestudeerd als Register Accountant (RA). Nadat hij RA is geworden, heeft hij 2 jaar later besloten om de stap te maken naar het bedrijfsleven. Hij is daar begonnen bij Reggeborgh, een investeringsmaatschappij in oost-Nederland. Vervolgens heeft hij bij FC Twente de functie als Financieel Manager bekleed, waar hij onder andere gebruik kon maken van zijn kennis die hij op had gedaan in de Accountancy. Na 6 jaar FC Twente heeft hij een aantal jaar als zelfstandige gewerkt bij verschillende bedrijven en startups. Sinds 2029 is hij werkzaam en sinds 2020 partner bij Taurus Corporate Finance. Zijn keuze om de corporate finance in te stappen had voornamelijk te maken met het idee dat het een enigszins vrijer werkveld is dan bijvoorbeeld Accountancy. Je bent echt sparringpartner van de ondernemer en bepaalt met hem de te volgen route en te maken keuzes. Wat Gert-Jan het mooiste van het vak vindt, is het persoonlijke contact met de klant en dat de klant tevreden is na afloop van het overnametraject. Over Taurus Taurus Corporate Finance is een gerenommeerd bedrijf, gevestigd in Deventer. In totaliteit heeft Taurus 28 werknemers. Ze focussen zich op de verkoop van middelgrote tot grote bedrijven, vanaf ongeveer €10 miljoen omzet of in termen van EBITDA tussen de €1 en €25 miljoen. Voornamelijk begeleiden ze bedrijven in noordoost Nederland. Standplaats Deventer is daarvoor de ideale plek, aangezien dat het meest westelijke punt is in de regio en ze toch aangehaakt kunnen blijven met Private Equity bedrijven in de Randstad. Taurus begeleidt voornamelijk regionale ondernemers die geen opvolging hebben voor hun bedrijf of jonge ondernemers die een flinke groei hebben doorgemaakt en voor de volgende stap een partner nodig hebben. Vaak is dit een once-in-a-lifetime gebeurtenis. Hierbij is een vertrouwensband onontbeerlijk. Taurus heeft de afgelopen jaren een flinke groei doorgemaakt en heeft ook deze ambitie kijkende naar de toekomst. Inmiddels is Taurus, puur kijkende en de focus leggende op noordoost-Nederland, de grootste partij. Dat komt onder andere door een aantal transacties in het verleden, waardoor hun naam rondgaat in de regio. Onder andere hun betrokkenheid bij de verkoop van Elektramat heeft daaraan sterk bijgedragen. Daarnaast zijn ze shirtsponsor bij FC Twente. Kort samengevat is datgene wat Taurus geschikt maakt voor de regio, het regionale karakter en het persoonlijke contact met de klant. Taurus kan worden gezien als boetiek kantoor met hoge betrokkenheid van de partner. Dat zorgt voor korte lijnen binnen de organisatie en richting klant en potentiële kopers. Het overnameproces in het algemeen Als een ondernemer besluit een bedrijf te verkopen, gaat hij in de meeste gevallen in gesprek met een overnamekantoor. Op basis van een goed gesprek wordt het kantoor gevraagd een Plan van Aanpak op te stellen. Dit vormt de basis voor de opdracht. De uitvoering van bijvoorbeeld een verkoopopdracht duurt gemiddeld 9 tot 12 maanden. De eerste maanden zijn vooral belangrijk voor een kennismakingstraject tussen de ondernemer en de adviseur. Vragen die daarbij onder andere opkomen zijn waarom een ondernemer besluit te verkopen, welke performance en potentie het bedrijf heeft en wat het bedrijf uniek maakt. Als zulke vragen beantwoord worden, kan in dit geval Taurus een route uitzetten van het te lopen traject. Vervolgens wordt een indicatieve waardebepaling gedaan. Hier wordt een schatting gemaakt van wat het bedrijf ongeveer waard is. Deze informatie wordt verzameld en er wordt een informatiememorandum van het bedrijf gemaakt. Deze wordt vertrouwelijk gedeeld met enkele partijen die vooraf door de klant en Taurus worden gezien als potentiële koper/partner gedeeld ten behoeve van een mogelijke overname. Hoofddoel is om enkele biedingen te krijgen om zo een bepaalde vergelijking te hebben. Uiteindelijk wordt de beste partij gekozen. Er wordt een LOI, een intentieovereenkomst, opgesteld. De koper kan daaropvolgend een onderzoek doen naar de financiële positie en overige zaken van de verkoper. Ze voeren een due-diligence onderzoek uit. Vaak doet een accountant, een fiscalist of een advocaat, of een samenwerking van voorgaande, dat onderzoek. Als hieruit niet geen significante bijzonderheden naar voren komen, dan worden de voorwaarden uit de LOI verwerkt tot een definitieve koopovereenkomst. Dit wordt vervolgens notarieel vastgelegd in een akte. De waarderingsmethode die Taurus en Gert-Jan veelal gebruiken is de DCF-methode (Discounted Cashflow). Hierbij wordt ook gebruikgemaakt van de WACC. Op basis van deze DCF-methode wordt, door de toekomstige cashflows contant te maken, een ondernemingswaarde bepaald. Een aandelenwaarde wordt bepaald door de cash minus de schulden op de ondernemingswaarde te verrekenen. In de praktijk wordt de waarde van een bedrijf vaak bepaald op basis van de gerealiseerde EBITDA. De breuk daarvan noemt men in de Finance een multiple. De multiple benadering is formeel geen waarderingsmethode, maar wordt in de corporate finance markt vaak gehanteerd om diverse transacties met elkaar te vergelijken. Er kan hierdoor een schatting gemaakt worden of de geschatte waardering ongeveer de uitkomst, koopprijs, van de deal zal zijn. Deze waardering wordt niet gedeeld met potentiële kopers, maar de potentiële koper is zelf aan zet om een bod te doen. Uiteindelijk wordt de beste match gekozen tussen koper en verkoper. Advies aan jonge professionals en studenten Voor studenten die eenzelfde soort carrièrepad als Gert-Jan zouden willen volgen, zou hij het volgende mee willen geven. Overweeg om eerst een paar jaar ervaring op te doen bij een gerenommeerde bank of accountancykantoor, alvorens de stap te maken naar de corporate finance. Voornaamste reden is dat je veel bagage meeneemt als zij-instromer. Dat kan ervoor zorgen dat het traject binnen de corporate finance wat soepeler verloopt. Desalniettemin is het zeker mogelijk om direct na een studie in Finance te beginnen en bestaat de mogelijkheid om al