Binnen de OESO, een groep van 35 grotendeels welvarende landen, heeft Nederland één van de grootste verschillen in minimumjeugdlonen. Momenteel verdienen alle minimumloon werknemers die jonger zijn dan 23 jaar minder dan het wettelijke volwassen minimumloon van €1551 per maand op basis van een 40-urige werkweek. Voor jongeren die net volwassen zijn geworden lopen die verschillen op tot slechts 45,5% van het volwassen minimumloon. Werknemers die minder dan het volwassen minimumloon verdienen geven aan dat hun inkomen onvoldoende is om in hun eigen levensbehoefte te voorzien, zoals het betalen van de huur, de zorgverzekering en de boodschappen. Na lange tijd heeft de overheid gereageerd op deze noodkreet door de leeftijd waarop jongeren in aanmerking komen voor het volwassen minimumloon te verlagen naar 21 jaar en de jeugdminimumlonen voor degenen jonger dan 21 jaar te verhogen. Beleidswijziging Het huidige minimumjeugdloon verschilt aanzienlijk per leeftijdsgroep. Figuur 1 laat zien dat een 18-jarige werknemer die een minimumloon verdient slechts 45,5% van een volwassen minimumloon krijgt, hetgeen overeenkomt met €4,08 per uur ten opzichte van €8,96 voor een 23-jarige. Het nieuwe beleid met betrekking tot het minimumloon probeert deze kloof te verkleinen. Het minimumloon dat 21- en 22-jarige werknemers momenteel ontvangen, zal geleidelijk stijgen naar het volwaardige volwassen minimumloon. Deze stijging moet in 2019 voltooid zijn. Tevens zullen werknemers van 18, 19 of 20 jaar profiteren van het nieuwe beleid zodat voorkomen wordt dat werkgevers leeftijdsdiscriminatie toepassen. Dit zou betekenen dat werkgevers werknemers die iets ouder zijn dan 20 links laten liggen. Figuur 1: Veranderingen in het minimumjeugdloon Productiviteit Het idee achter het verstrekken van lagere minimumlonen voor jonge werknemers is dat hun productiviteit onvoldoende is om een volwaardig volwassen minimumloon te verdienen. Wanneer deze jonge werknemers recht zouden hebben op een volwassen minimumloon, zijn werkgevers minder snel geneigd om hen in dienst te nemen. Alhoewel er iets te zeggen valt voor deze theorie, lopen de huidige minimumjeugdlonen te veel uit de pas met het volwassen minimumloon. Het feit dat productiviteit een groepskenmerk is terwijl leeftijd op individueel niveau waarneembaar is, maakt het moeilijk om de effecten van leeftijd op productiviteit te onderzoeken. Dit verklaart grotendeels waarom er weinig bekend is over de productiviteit per leeftijdsgroep en al helemaal voor minimumloon verdieners. Toch wijzen sommige studies op een kloof tussen productiviteit en lonen. Figuur 2 laat zien dat deze kloof het grootst is voor de jongste werknemers. Dit betekent dus dat met name degenen die jonger dan 25 jaar zijn sterk worden onderbetaald. Figuur 2: Productiviteit en salaris per leeftijd Wanneer we kijken naar de samenstelling van het personeelsbestand van supermarkten en restaurants wordt deze kloof tussen productiviteit en lonen bevestigd. In de Verenigde Staten bevindt ongeveer een derde van de supermarkt werknemers zich in de leeftijdscategorie van 18 tot 24 jaar. Dit is des te opvallender in fast-food restaurants, waar ongeveer 60% jonger is dan 25 jaar. Deze feiten wijzen in de richting van een buitengewoon grote kloof tussen productiviteit en lonen voor jonge werknemers. Wanneer we dus kijken naar de productiviteit, zouden deze jongere werknemers aanzienlijk meer moeten verdienen. “Zelfs nadat het nieuwe beleid voltooid is, zullen werknemers van 18 en 19 jaar niet eens in de buurt komen van hun leeftijdsgenoten in de meeste andere OESO-landen.” Internationale vergelijking In internationaal OESO-perspectief blijkt dat jonge werknemers in Nederland vooral te klagen hebben. Figuur 3 toont aan dat uit deze steekproef van OESO-landen de minimumloonverschillen in Nederland het grootst zijn. Een 18-jarige werknemer verdient ongeveer 45% van een volwassen minimumloon, terwijl zijn tegenhanger in België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk ongeveer 80% van het volwassen minimumloon verdient. Deze resultaten suggereren dat Nederlandse minimumjeugdloon verdieners zwaar zijn onderbetaald en dat een toename van deze lonen dus gerechtvaardigd en van groot belang is. Figuur 3: Minimumjeugdlonen in acht OESO-landen Arbeidsmarkteffecten In theorie zou een toename van het minimumjeugdloon leiden tot een lagere vraag naar arbeid voor deze groepen. Een stijging van de arbeidskosten kan ervoor zorgen dat bedrijven hun aandacht verschuiven naar de iets oudere werknemer die niet geen wettelijke loonsverhoging krijgt. Ondanks dat sommige studies tegengestelde resultaten vinden, maakt de overheid €100 miljoen op jaarbasis beschikbaar om werkgevers te compenseren voor hogere arbeidskosten. Conclusie Momenteel zijn de verschillen in minimumjeugdlonen in Nederland aanzienlijk. Dit verschil is onrechtvaardig wanneer de productiviteit van minimumjeugdloon verdieners vergeleken wordt met hun lonen. Ook uit een internationaal perspectief komt deze onrechtvaardigheid duidelijk naar voren. Terwijl 18-jarige werknemers in de meeste OESO-landen ongeveer 80% van het volwassen minimumloon verdienen is dit nog niet eens het geval voor 21-jarige werknemers in Nederland. Het huidige beleid probeert deze verschillen aan te pakken, maar slaagt hier slechts gedeeltelijk in aangezien het beleid alleen 21- en 22-jarige werknemers recht geeft op een volledig volwassen minimumloon. Zelfs nadat het nieuwe beleid voltooid is, zullen werknemers van 18 en 19 jaar niet eens in de buurt komen van hun leeftijdsgenoten in de meeste andere OESO-landen. Toch vormt dit minimumjeugdloon-beleid een langverwachte start naar een grotere gelijkheid onder jonge minimumloonverdieners. Het is een goed begin, maar meer vooruitgang zou zeer welkom zijn. Max Pepels is blogger bij econooMax. Wilt u meer artikelen van Max lezen, ga dan naar de website van econooMax.
Loonongelijkheid onder jonge minimumloon verdieners
Binnen de OESO, een groep van 35 grotendeels welvarende landen, heeft Nederland één van de grootste verschillen in minimumjeugdlonen. Momenteel verdienen alle minimumloon werknemers die jonger zijn dan 23 jaar minder dan het wettelijke volwassen minimumloon van €1551 per maand op basis van een 40-urige werkweek. Voor jongeren die net volwassen zijn geworden lopen die verschillen op tot slechts 45,5% van het volwassen minimumloon. Werknemers die minder dan het volwassen minimumloon verdienen geven aan dat hun inkomen onvoldoende is om in hun eigen levensbehoefte te voorzien, zoals het betalen van de huur, de zorgverzekering en de boodschappen. Na lange tijd heeft de overheid gereageerd op deze noodkreet door de leeftijd waarop jongeren in aanmerking komen voor het volwassen minimumloon te verlagen naar 21 jaar en de jeugdminimumlonen voor degenen jonger dan 21 jaar te verhogen. Beleidswijziging Het huidige minimumjeugdloon verschilt aanzienlijk per leeftijdsgroep. Figuur 1 laat zien dat een 18-jarige werknemer die een minimumloon verdient slechts 45,5% van een volwassen minimumloon krijgt, hetgeen overeenkomt met €4,08 per uur ten opzichte van €8,96 voor een 23-jarige. Het nieuwe beleid met betrekking tot het minimumloon probeert deze kloof te verkleinen. Het minimumloon dat 21- en 22-jarige werknemers momenteel ontvangen, zal geleidelijk stijgen naar het volwaardige volwassen minimumloon. Deze stijging moet in 2019 voltooid zijn. Tevens zullen werknemers van 18, 19 of 20 jaar profiteren van het nieuwe beleid zodat voorkomen wordt dat werkgevers leeftijdsdiscriminatie toepassen. Dit zou betekenen dat werkgevers werknemers die iets ouder zijn dan 20 links laten liggen. Figuur 1: Veranderingen in het minimumjeugdloon Productiviteit Het idee achter het verstrekken van lagere minimumlonen voor jonge werknemers is dat hun productiviteit onvoldoende is om een volwaardig volwassen minimumloon te verdienen. Wanneer deze jonge werknemers recht zouden hebben op een volwassen minimumloon, zijn werkgevers minder snel geneigd om hen in dienst te nemen. Alhoewel er iets te zeggen valt voor deze theorie, lopen de huidige minimumjeugdlonen te veel uit de pas met het volwassen minimumloon. Het feit dat productiviteit een groepskenmerk is terwijl leeftijd op individueel niveau waarneembaar is, maakt het moeilijk om de effecten van leeftijd op productiviteit te onderzoeken. Dit verklaart grotendeels waarom er weinig bekend is over de productiviteit per leeftijdsgroep en al helemaal voor minimumloon verdieners. Toch wijzen sommige studies op een kloof tussen productiviteit en lonen. Figuur 2 laat zien dat deze kloof het grootst is voor de jongste werknemers. Dit betekent dus dat met name degenen die jonger dan 25 jaar zijn sterk worden onderbetaald. Figuur 2: Productiviteit en salaris per leeftijd Wanneer we kijken naar de samenstelling van het personeelsbestand van supermarkten en restaurants wordt deze kloof tussen productiviteit en lonen bevestigd. In de Verenigde Staten bevindt ongeveer een derde van de supermarkt werknemers zich in de leeftijdscategorie van 18 tot 24 jaar. Dit is des te opvallender in fast-food restaurants, waar ongeveer 60% jonger is dan 25 jaar. Deze feiten wijzen in de richting van een buitengewoon grote kloof tussen productiviteit en lonen voor jonge werknemers. Wanneer we dus kijken naar de productiviteit, zouden deze jongere werknemers aanzienlijk meer moeten verdienen. “Zelfs nadat het nieuwe beleid voltooid is, zullen werknemers van 18 en 19 jaar niet eens in de buurt komen van hun leeftijdsgenoten in de meeste andere OESO-landen.” Internationale vergelijking In internationaal OESO-perspectief blijkt dat jonge werknemers in Nederland vooral te klagen hebben. Figuur 3 toont aan dat uit deze steekproef van OESO-landen de minimumloonverschillen in Nederland het grootst zijn. Een 18-jarige werknemer verdient ongeveer 45% van een volwassen minimumloon, terwijl zijn tegenhanger in België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk ongeveer 80% van het volwassen minimumloon verdient. Deze resultaten suggereren dat Nederlandse minimumjeugdloon verdieners zwaar zijn onderbetaald en dat een toename van deze lonen dus gerechtvaardigd en van groot belang is. Figuur 3: Minimumjeugdlonen in acht OESO-landen Arbeidsmarkteffecten In theorie zou een toename van het minimumjeugdloon leiden tot een lagere vraag naar arbeid voor deze groepen. Een stijging van de arbeidskosten kan ervoor zorgen dat bedrijven hun aandacht verschuiven naar de iets oudere werknemer die niet geen wettelijke loonsverhoging krijgt. Ondanks dat sommige studies tegengestelde resultaten vinden, maakt de overheid €100 miljoen op jaarbasis beschikbaar om werkgevers te compenseren voor hogere arbeidskosten. Conclusie Momenteel zijn de verschillen in minimumjeugdlonen in Nederland aanzienlijk. Dit verschil is onrechtvaardig wanneer de productiviteit van minimumjeugdloon verdieners vergeleken wordt met hun lonen. Ook uit een internationaal perspectief komt deze onrechtvaardigheid duidelijk naar voren. Terwijl 18-jarige werknemers in de meeste OESO-landen ongeveer 80% van het volwassen minimumloon verdienen is dit nog niet eens het geval voor 21-jarige werknemers in Nederland. Het huidige beleid probeert deze verschillen aan te pakken, maar slaagt hier slechts gedeeltelijk in aangezien het beleid alleen 21- en 22-jarige werknemers recht geeft op een volledig volwassen minimumloon. Zelfs nadat het nieuwe beleid voltooid is, zullen werknemers van 18 en 19 jaar niet eens in de buurt komen van hun leeftijdsgenoten in de meeste andere OESO-landen. Toch vormt dit minimumjeugdloon-beleid een langverwachte start naar een grotere gelijkheid onder jonge minimumloonverdieners. Het is een goed begin, maar meer vooruitgang zou zeer welkom zijn. Max Pepels is blogger bij econooMax. Wilt u meer artikelen van Max lezen, ga dan naar de website van econooMax.
Loonongelijkheid onder jonge minimumloon verdieners
Binnen de OESO, een groep van 35 grotendeels welvarende landen, heeft Nederland één van de grootste verschillen in minimumjeugdlonen. Momenteel verdienen alle minimumloon werknemers die jonger zijn dan 23 jaar minder dan het wettelijke volwassen minimumloon van €1551 per maand op basis van een 40-urige werkweek. Voor jongeren die net volwassen zijn geworden lopen die verschillen op tot slechts 45,5% van het volwassen minimumloon. Werknemers die minder dan het volwassen minimumloon verdienen geven aan dat hun inkomen onvoldoende is om in hun eigen levensbehoefte te voorzien, zoals het betalen van de huur, de zorgverzekering en de boodschappen. Na lange tijd heeft de overheid gereageerd op deze noodkreet door de leeftijd waarop jongeren in aanmerking komen voor het volwassen minimumloon te verlagen naar 21 jaar en de jeugdminimumlonen voor degenen jonger dan 21 jaar te verhogen. Beleidswijziging Het huidige minimumjeugdloon verschilt aanzienlijk per leeftijdsgroep. Figuur 1 laat zien dat een 18-jarige werknemer die een minimumloon verdient slechts 45,5% van een volwassen minimumloon krijgt, hetgeen overeenkomt met €4,08 per uur ten opzichte van €8,96 voor een 23-jarige. Het nieuwe beleid met betrekking tot het minimumloon probeert deze kloof te verkleinen. Het minimumloon dat 21- en 22-jarige werknemers momenteel ontvangen, zal geleidelijk stijgen naar het volwaardige volwassen minimumloon. Deze stijging moet in 2019 voltooid zijn. Tevens zullen werknemers van 18, 19 of 20 jaar profiteren van het nieuwe beleid zodat voorkomen wordt dat werkgevers leeftijdsdiscriminatie toepassen. Dit zou betekenen dat werkgevers werknemers die iets ouder zijn dan 20 links laten liggen. Figuur 1: Veranderingen in het minimumjeugdloon Productiviteit Het idee achter het verstrekken van lagere minimumlonen voor jonge werknemers is dat hun productiviteit onvoldoende is om een volwaardig volwassen minimumloon te verdienen. Wanneer deze jonge werknemers recht zouden hebben op een volwassen minimumloon, zijn werkgevers minder snel geneigd om hen in dienst te nemen. Alhoewel er iets te zeggen valt voor deze theorie, lopen de huidige minimumjeugdlonen te veel uit de pas met het volwassen minimumloon. Het feit dat productiviteit een groepskenmerk is terwijl leeftijd op individueel niveau waarneembaar is, maakt het moeilijk om de effecten van leeftijd op productiviteit te onderzoeken. Dit verklaart grotendeels waarom er weinig bekend is over de productiviteit per leeftijdsgroep en al helemaal voor minimumloon verdieners. Toch wijzen sommige studies op een kloof tussen productiviteit en lonen. Figuur 2 laat zien dat deze kloof het grootst is voor de jongste werknemers. Dit betekent dus dat met name degenen die jonger dan 25 jaar zijn sterk worden onderbetaald. Figuur 2: Productiviteit en salaris per leeftijd Wanneer we kijken naar de samenstelling van het personeelsbestand van supermarkten en restaurants wordt deze kloof tussen productiviteit en lonen bevestigd. In de Verenigde Staten bevindt ongeveer een derde van de supermarkt werknemers zich in de leeftijdscategorie van 18 tot 24 jaar. Dit is des te opvallender in fast-food restaurants, waar ongeveer 60% jonger is dan 25 jaar. Deze feiten wijzen in de richting van een buitengewoon grote kloof tussen productiviteit en lonen voor jonge werknemers. Wanneer we dus kijken naar de productiviteit, zouden deze jongere werknemers aanzienlijk meer moeten verdienen. “Zelfs nadat het nieuwe beleid voltooid is, zullen werknemers van 18 en 19 jaar niet eens in de buurt komen van hun leeftijdsgenoten in de meeste andere OESO-landen.” Internationale vergelijking In internationaal OESO-perspectief blijkt dat jonge werknemers in Nederland vooral te klagen hebben. Figuur 3 toont aan dat uit deze steekproef van OESO-landen de minimumloonverschillen in Nederland het grootst zijn. Een 18-jarige werknemer verdient ongeveer 45% van een volwassen minimumloon, terwijl zijn tegenhanger in België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk ongeveer 80% van het volwassen minimumloon verdient. Deze resultaten suggereren dat Nederlandse minimumjeugdloon verdieners zwaar zijn onderbetaald en dat een toename van deze lonen dus gerechtvaardigd en van groot belang is. Figuur 3: Minimumjeugdlonen in acht OESO-landen Arbeidsmarkteffecten In theorie zou een toename van het minimumjeugdloon leiden tot een lagere vraag naar arbeid voor deze groepen. Een stijging van de arbeidskosten kan ervoor zorgen dat bedrijven hun aandacht verschuiven naar de iets oudere werknemer die niet geen wettelijke loonsverhoging krijgt. Ondanks dat sommige studies tegengestelde resultaten vinden, maakt de overheid €100 miljoen op jaarbasis beschikbaar om werkgevers te compenseren voor hogere arbeidskosten. Conclusie Momenteel zijn de verschillen in minimumjeugdlonen in Nederland aanzienlijk. Dit verschil is onrechtvaardig wanneer de productiviteit van minimumjeugdloon verdieners vergeleken wordt met hun lonen. Ook uit een internationaal perspectief komt deze onrechtvaardigheid duidelijk naar voren. Terwijl 18-jarige werknemers in de meeste OESO-landen ongeveer 80% van het volwassen minimumloon verdienen is dit nog niet eens het geval voor 21-jarige werknemers in Nederland. Het huidige beleid probeert deze verschillen aan te pakken, maar slaagt hier slechts gedeeltelijk in aangezien het beleid alleen 21- en 22-jarige werknemers recht geeft op een volledig volwassen minimumloon. Zelfs nadat het nieuwe beleid voltooid is, zullen werknemers van 18 en 19 jaar niet eens in de buurt komen van hun leeftijdsgenoten in de meeste andere OESO-landen. Toch vormt dit minimumjeugdloon-beleid een langverwachte start naar een grotere gelijkheid onder jonge minimumloonverdieners. Het is een goed begin, maar meer vooruitgang zou zeer welkom zijn. Max Pepels is blogger bij econooMax. Wilt u meer artikelen van Max lezen, ga dan naar de website van econooMax.
Loonongelijkheid onder jonge minimumloon verdieners
Binnen de OESO, een groep van 35 grotendeels welvarende landen, heeft Nederland één van de grootste verschillen in minimumjeugdlonen. Momenteel verdienen alle minimumloon werknemers die jonger zijn dan 23 jaar minder dan het wettelijke volwassen minimumloon van €1551 per maand op basis van een 40-urige werkweek. Voor jongeren die net volwassen zijn geworden lopen die verschillen op tot slechts 45,5% van het volwassen minimumloon. Werknemers die minder dan het volwassen minimumloon verdienen geven aan dat hun inkomen onvoldoende is om in hun eigen levensbehoefte te voorzien, zoals het betalen van de huur, de zorgverzekering en de boodschappen. Na lange tijd heeft de overheid gereageerd op deze noodkreet door de leeftijd waarop jongeren in aanmerking komen voor het volwassen minimumloon te verlagen naar 21 jaar en de jeugdminimumlonen voor degenen jonger dan 21 jaar te verhogen. Beleidswijziging Het huidige minimumjeugdloon verschilt aanzienlijk per leeftijdsgroep. Figuur 1 laat zien dat een 18-jarige werknemer die een minimumloon verdient slechts 45,5% van een volwassen minimumloon krijgt, hetgeen overeenkomt met €4,08 per uur ten opzichte van €8,96 voor een 23-jarige. Het nieuwe beleid met betrekking tot het minimumloon probeert deze kloof te verkleinen. Het minimumloon dat 21- en 22-jarige werknemers momenteel ontvangen, zal geleidelijk stijgen naar het volwaardige volwassen minimumloon. Deze stijging moet in 2019 voltooid zijn. Tevens zullen werknemers van 18, 19 of 20 jaar profiteren van het nieuwe beleid zodat voorkomen wordt dat werkgevers leeftijdsdiscriminatie toepassen. Dit zou betekenen dat werkgevers werknemers die iets ouder zijn dan 20 links laten liggen. Figuur 1: Veranderingen in het minimumjeugdloon Productiviteit Het idee achter het verstrekken van lagere minimumlonen voor jonge werknemers is dat hun productiviteit onvoldoende is om een volwaardig volwassen minimumloon te verdienen. Wanneer deze jonge werknemers recht zouden hebben op een volwassen minimumloon, zijn werkgevers minder snel geneigd om hen in dienst te nemen. Alhoewel er iets te zeggen valt voor deze theorie, lopen de huidige minimumjeugdlonen te veel uit de pas met het volwassen minimumloon. Het feit dat productiviteit een groepskenmerk is terwijl leeftijd op individueel niveau waarneembaar is, maakt het moeilijk om de effecten van leeftijd op productiviteit te onderzoeken. Dit verklaart grotendeels waarom er weinig bekend is over de productiviteit per leeftijdsgroep en al helemaal voor minimumloon verdieners. Toch wijzen sommige studies op een kloof tussen productiviteit en lonen. Figuur 2 laat zien dat deze kloof het grootst is voor de jongste werknemers. Dit betekent dus dat met name degenen die jonger dan 25 jaar zijn sterk worden onderbetaald. Figuur 2: Productiviteit en salaris per leeftijd Wanneer we kijken naar de samenstelling van het personeelsbestand van supermarkten en restaurants wordt deze kloof tussen productiviteit en lonen bevestigd. In de Verenigde Staten bevindt ongeveer een derde van de supermarkt werknemers zich in de leeftijdscategorie van 18 tot 24 jaar. Dit is des te opvallender in fast-food restaurants, waar ongeveer 60% jonger is dan 25 jaar. Deze feiten wijzen in de richting van een buitengewoon grote kloof tussen productiviteit en lonen voor jonge werknemers. Wanneer we dus kijken naar de productiviteit, zouden deze jongere werknemers aanzienlijk meer moeten verdienen. “Zelfs nadat het nieuwe beleid voltooid is, zullen werknemers van 18 en 19 jaar niet eens in de buurt komen van hun leeftijdsgenoten in de meeste andere OESO-landen.” Internationale vergelijking In internationaal OESO-perspectief blijkt dat jonge werknemers in Nederland vooral te klagen hebben. Figuur 3 toont aan dat uit deze steekproef van OESO-landen de minimumloonverschillen in Nederland het grootst zijn. Een 18-jarige werknemer verdient ongeveer 45% van een volwassen minimumloon, terwijl zijn tegenhanger in België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk ongeveer 80% van het volwassen minimumloon verdient. Deze resultaten suggereren dat Nederlandse minimumjeugdloon verdieners zwaar zijn onderbetaald en dat een toename van deze lonen dus gerechtvaardigd en van groot belang is. Figuur 3: Minimumjeugdlonen in acht OESO-landen Arbeidsmarkteffecten In theorie zou een toename van het minimumjeugdloon leiden tot een lagere vraag naar arbeid voor deze groepen. Een stijging van de arbeidskosten kan ervoor zorgen dat bedrijven hun aandacht verschuiven naar de iets oudere werknemer die niet geen wettelijke loonsverhoging krijgt. Ondanks dat sommige studies tegengestelde resultaten vinden, maakt de overheid €100 miljoen op jaarbasis beschikbaar om werkgevers te compenseren voor hogere arbeidskosten. Conclusie Momenteel zijn de verschillen in minimumjeugdlonen in Nederland aanzienlijk. Dit verschil is onrechtvaardig wanneer de productiviteit van minimumjeugdloon verdieners vergeleken wordt met hun lonen. Ook uit een internationaal perspectief komt deze onrechtvaardigheid duidelijk naar voren. Terwijl 18-jarige werknemers in de meeste OESO-landen ongeveer 80% van het volwassen minimumloon verdienen is dit nog niet eens het geval voor 21-jarige werknemers in Nederland. Het huidige beleid probeert deze verschillen aan te pakken, maar slaagt hier slechts gedeeltelijk in aangezien het beleid alleen 21- en 22-jarige werknemers recht geeft op een volledig volwassen minimumloon. Zelfs nadat het nieuwe beleid voltooid is, zullen werknemers van 18 en 19 jaar niet eens in de buurt komen van hun leeftijdsgenoten in de meeste andere OESO-landen. Toch vormt dit minimumjeugdloon-beleid een langverwachte start naar een grotere gelijkheid onder jonge minimumloonverdieners. Het is een goed begin, maar meer vooruitgang zou zeer welkom zijn. Max Pepels is blogger bij econooMax. Wilt u meer artikelen van Max lezen, ga dan naar de website van econooMax.
Repareer het dak als de zon schijnt (2)
Het eerste deel van deze tweeluik introduceerde de mogelijkheden die een overheid heeft om anticyclisch beleid te voeren: gebruik maken van automatische stabilisatoren en discretionair fiscaal beleid. Dit laatste deel analyseert de effecten van de recente recessies op de ontwikkeling van de vier onderdelen1 van het Nederlandse BBP. Ik sluit af met een beleidsadvies voor een volgend kabinet. Nederlandse huishoudens hebben de grootste hypotheekschuld van de Eurozone (€ 638 miljard). Het afsluiten van (hypotheek)leningen was voorafgaand aan de crisis gemakkelijk en de virtuele waarde van woningen leek alleen maar te stijgen. Mensen rekenden zich rijker dan ze daadwerkelijk waren en dit resulteerde in overmatige consumptie. Toen uiteindelijk de werkelijkheid aan het licht kwam, moest er gekort worden in consumptie. In Nederland is de consumptie over de periode 2007 – 20142 met maar liefst 3,5% gedaald terwijl het BBP in beide perioden een vergelijkbare grootte had (zie grafiek). Tevens was er een sterke daling in de bedrijfsinvesteringen waarneembaar. Door moeilijkere marktomstandigheden (minder vertrouwen en teruglopende vraag) gingen bedrijven failliet en kwamen investeringen te vervallen. De bedrijven die de crises wel overleefden, schroefden hun investeringen drastisch terug. Dit blijkt uit ook de data: de investeringen daalden met maar liefst 15,8% over de jaren 2007 tot en met 2014. Naast de consumptieve bestedingen hebben de bedrijfsinvesteringen ook nog een lange weg te gaan tot volledig herstel. Ondanks dat een daling van 18,6% in de periode 2007 – 2009, was de netto export (NX) in 2011 alweer terug op het oude niveau. Waar eerst het vertrouwen in internationale handel wegzakte, bleek dit maar van korte duur en herstelde de netto export zich vrij snel. Sterker nog, in 2014 was de netto export met 40% gestegen ten opzichte van het jaar 2007. De exportsector is vaak de eerste sector die aantrekt na een recessie en zeker voor Nederland, als kleine open economie, heeft dit gunstige gevolgen. Als laatst volgen de overheidsuitgaven (G): deze zijn door alle bezuinigingen niet gedaald maar minder snel gestegen dan zonder overheidsinterventie. In totaal zijn de overheidsuitgaven met 5,4% gestegen over de periode 2007 – 2014. Ondanks de overheidsbezuinigingen stegen de absolute uitgaven van de overheid jaar op jaar. De bezuinigingen werkten het effect van de automatische stabilisatoren tegen waardoor de overheidsuitgaven minder snel stegen. ‘’… het BBP had hoger kunnen zijn in 2014 als de overheid niet bezuinigd had en gebruik had gemaakt van discretionair fiscaal beleid.’’ Achteraf blijkt dat vooral door de sterke export het BBP in zeven jaar herstelde. De consumptie en de bedrijfsinvesteringen krompen aanzienlijk. Ondanks dat de overheidsuitgaven een kleine groei hebben laten zien, heeft de overheid er alles aan gedaan om deze groei zo gering mogelijk te maken. Het effect van de automatische stabilisatoren moest tegengewerkt worden. Het heeft geleid tot een langere recessie. Anders gezegd, het BBP had hoger kunnen zijn in 2014 als de overheid niet bezuinigd had en gebruik had gemaakt van discretionair fiscaal beleid. De overheid hoort in een recessie anticyclisch in plaats van procyclisch beleid te voeren. Dit beleid zal de conjunctuurcyclus afzwakken, tot minder volatiliteit leiden en de recessie minder diep maken. Nu hoor ik u zeggen: er is geen ruimte geweest in het Nederlandse overheidsbudget om expansief beleid te voeren. Dat klopt. De kabinetten Rutte I en Rutte II hebben geen ruimte gehad om dit beleid te voeren en zijn door het Stabiliteits- en Groeipact (3%-regel) gedwongen geweest de recessie strenger te maken. Dit komt omdat de overheid in de jaren voor de financiële crisis er niet in is geslaagd voldoende te bezuinigen en de hand op de knip te houden terwijl er een hoogconjunctuur gaande was. Hierdoor is de economie juist in de periode vóór 2008 aangezwengeld. ‘’Ons overheidsbudget zal positief moeten zijn (richting de +3%) zodat er ruimte overblijft om in geval van een nieuwe recessie geld uit te kunnen geven.’’ Om een nieuwe recessie milder te laten verlopen zal een nieuwe regering opnieuw een aantal bezuinigingen moeten invoeren. Ons overheidsbudget zal positief moeten zijn (richting de +3%) zodat er ruimte overblijft om in geval van een nieuwe recessie geld uit te kunnen geven. De overheid zal het dak nu moeten repareren want als we naar buiten kijken dan zien we dat het gestopt is met regenen en de zon doorkomt. Je weet maar nooit wanneer het weer begint te regenen… 1 Huishoudelijke consumptie (C), bedrijfsinvesteringen (I), netto export (NX) en overheidsbestedingen (G). 2 Ik heb de periode 2007 – 2014 gekozen aangezien de economie in beide jaren een nagenoeg even groot BBP had. Hierdoor kan gekeken worden naar de veranderingen in de compositie van het BBP. Max Pepels is blogger bij econooMax. Wilt u meer artikelen van Max lezen, ga dan naar de website van econooMax.